13 december, 2006

Contradictio in terminis

Op de internetsite van het NRC lees ik een
elektronische krantenkop van 4 december 2006 : “Criminaliteit daalt, geweld neemt toe”.
Heel even neem ik ’n pauze in acht, knijp in mijn arm (om zeker te weten dat ik niet droom) en breng daarna een bakkie troost naar mijn mond.
Ik kijk nogmaals naar het scherm en lees verder : “De criminaliteit is voor het derde achtereenvolgende jaar afgenomen; het aantal geweldsmisdrijven ‘tegen personen’ echter, steeg voor het vierde achtereenvolgende jaar”.
Nu gaat het mij niet om de in het artikel genoemde feiten en cijfers, die zullen best kloppen; maar het is de elektronische krantenkop die mij de wenkbrauwen laat fronsen.
Met geweld verschaf ik mij toegang tot de VanDale en lees dat criminaliteit betekent : “Het begaan van misdaden; en dat een geweldsmisdrijf een misdaad is die gepaard gaat met lichamelijk geweld”.
Maar goed - zolang onderzoekers, analytici en media dit kennelijk niet in de gaten hebben; weet ik hoe ik de criminaliteit nog verder kan laten dalen. Heel simpel : “Niet meer inbreken tijdens het toepassen van lichamelijk geweld”.


(Artikel, gezien en gelezen op internet, www.nrc.nl)

09 december, 2006

Beeldverhaal een langzaam werkend gif

Na wat omzwervingen op internet, bevind ik mij plotseling in de wereld van het beeldverhaal.
Al snel beschik ik over zoveel materiaal, dat het uitgeven van een boek ‘met beeldend geschreven teksten’ een kwestie van tijd zou zijn.
Het meest frappante dat ik in al dat materiaal tegen kom is een door de overheid op 19 oktober 1948 opgesteld bericht, met daarin een aan de rijksscholen, gemeentebesturen en besturen van bijzondere scholen gericht voorschrift; de verspreiding van beeldverhalen tegen te gaan. De achterliggende gedachte hierbij was, dat het vaak krachtdadige optreden van diverse striphelden de misdadigheid zou bevorderen en leesluiheid zou veroorzaken. Er verschenen rond die tijd artikelen in de pers waarin het mogelijke verband tussen bepaalde stripboeken en het misdadige gedrag van een steeds groter deel van de jeugd werd weergegeven. In dezelfde periode werden bij de openbare bibliotheken geen beeldverhalen meer uitgeleend en kregen kinderen van hun ouders en van pedagogen het verbod opgelegd, beeldverhalen te lezen. Waarschijnlijk was juist de tegenwerking van de overheid, pers en ouders de reden, dat in de periode 1950–1960 het beeldverhaal ongekend populair was. De katholieke kerk mengde zich in die jaren ook in de discussie; of er wel of niet sprake zou zijn van een langzaam werkend gif. Het ‘Lectuur Repertorium’ - een uitgave van het Algemeen Secretariaat voor Katholieke Boekerijen uit 1953, waarin vele boekuitgaven vanaf de jaren dertig worden beschreven - noemt de beeldverhalen van Dick Bos een serie ‘die alleen maar grove sensatie bevat´ en die ´minderwaardig is in literair, wetenschappelijk of vakkundig opzicht´. Uitgeverij Ten Hagen, die feitelijk het succes van het beeldverhaal inluidde met de Dick Bos-serie, stond werkelijk machteloos in deze discussie. Ten Hagen probeerde het tij te keren met een informatiekaartje, ter grootte van een Dick Bos-boekje, met als titel : "De Dick Bos-serie, een goede uitzondering !" Hierop stond geschreven : "Wij zijn van mening, dat de Dick Bos-serie tot de weinige onschadelijke beeldverhalen behoort; en wel, omdat Dick Bos met de politie samenwerkt en de misdadigers aan hen uitlevert. Dick Bos doodt nimmer, doch maakt tegenstanders slechts onschadelijk door ´Jiu Jitsu grepen´ of een schot in de hand. Een moord wordt in deze serie bijna nooit uitgebeeld en zinneprikkelende plaatjes komen in deze serie niet voor".


Hieronder de tekst van de brief van de Nederlandse minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Dr. F.J.Th.Rutten.

Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
Betreffende : z.g. beeldroman

Aan de Directeuren van de Rijksscholen, de gemeentebesturen, de besturen van dan Rijkswege gesubsidieerde Nijverheidsscholen en de besturen van bijzondere scholen voor uitgebreid lager onderwijs.

's Gravenhage, 19 October 1948

Het is mij bekend, dat een deel van de Nederlandse schooljeugd veelvuldig z.g. beeldromans leest. Deze boekjes, die een samenhangende reeks tekeningen met een begeleidende tekst bevatten, zijn over het algemeen van een sensationeel gehalte zonder enige andere waarde.
Het is niet mogelijk tegen de drukkers, uitgevers of verspreiders van deze romans strafrechtelijk op te treden, terwijl evenmin iets kan worden bereikt door geen papier beschikbaar te stellen, aangezien het voor deze uitgaven benodigde papier op de vrije markt verkrijgbaar is. Hoewel ik er van overtuigd ben, dat op de meeste scholen het lezen van deze boekjes zo veel mogelijk wordt tegengegaan, zal ik het toch op prijs stellen, indien gij het personeel Uwer scholen er, wellicht ten overvloede, op wilt wijzen, dat het gewenst is toe te zien dat de leerlingen de beeldromans niet in de school brengen of onder hun makkers verspreiden. Waar de omstandigheden dit wenselijk maken, waren de leerlingen er te wijzen op het zeer oppervlakkige karakter van deze lectuur en op de talrijke boeken, die hun belangstelling meer waard zijn.


De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
Was getekend : Dr. F.J.Th.Rutten


Tenslotte . . . . naar het schijnt is ‘het door de overheid in 1948 uitgevaardigd bericht’ tot op heden niet ingetrokken.


(Afbeelding samengesteld uit materiaal afkomstig van internet)